Skip to content

Voorbeeld Essay Ethiek

Primark staat bekend als een kledingketen die, vergeleken hun concurrenten, goedkoop hun producten kunnen aanbieden voor consumenten. Men gaat zich afvragen waarom een bedrijf met zulke lage prijzen voor hun producten toch winst kan maken. Bekend was al dat het inkopen in lagelonenlanden als Vietnam, India of Bangladesh hier rede tot zou kunnen zijn. Zo is dat dan ook het geval bij Primark, net als zijn concurrenten dat al deden. Opvallend is wel, dat voor de ramp in Bangladesh er relatief weinig onderzoek is gedaan naar de omstandigheden in de fabrieken waar Primark zijn inkopen doet. Alhoewel de levensstandaard lager ligt in Bangladesh in vergelijking tot de rest van de wereld, waardoor de kosten per arbeider het gunstigst is, is het niet onbegrijpelijk zich af te vragen of de werkomstandigheden in deze fabrieken wel aan de internationale standaarden voldoen wat betreft de veiligheid. Naar aanleiding van de ramp op het Rana Plaza fabriekscomplex in Bangladesh in april, waardoor 1100 mensen om het leven kwamen, heeft Primark hierop gereageerd door een website te maken die volledig in het belang staat voor de verdere ontwikkelingen van het bedrijf in Bangladesh na de ramp. Het eerste gepubliceerde persbericht dateert namelijk van 26 april 2013, waarin Primark zijn medeleven betuigt aan alle betrokkenen van de fabriekramp. In de persberichten die volgen geeft het bedrijf aan hulp te bieden doormiddel van ondersteuningspakketten voor arbeiders, schadevergoeding en financiële bijstand op korte termijn aan de slachtoffers. Daarnaast heeft het bedrijf beloofd inspecties te doen van de fabrieksgebouwen als gevolg van de ondertekening van het akkoord, een initiatief van IndustriALL en UNI Global. De website is nog steeds actief en het laatste persbericht dateert van 19 september 2013, waarin staat dat er nog steeds hulp wordt geboden aan de slachtoffers en er nog steeds gesprekken worden gevoerd over verdere ontwikkelingen in Bangladesh met andere bedrijven en organisaties die hier belang bij hebben. Ondanks veel kritiek op de omstandigheden in de fabrieken in Bangladesh, geeft Primark op zijn website aan niet te gaan stoppen met het inkopen uit deze fabrieken. De vraag is of dit, na zo’n tragische gebeurtenis, nog wel ethisch verantwoord is om hier mee door te gaan. Ook al werkt Primark aan imago herstel met behulp van de persberichten op hun website, waarin beloftes worden gemaakt voor verbetering van de fabrieksomstandigheden, zal dat niet een zekerheid hoeven zijn dat dit in positieve zin de situatie kan doen gaan veranderen voor de arbeiders. De Primark staat bekend als een kledingketen die, vergeleken hun concurrenten, goedkoop hun producten kunnen aanbieden voor consumenten. Men gaat zich afvragen waarom een bedrijf met zulke lage prijzen voor hun producten toch winst kan maken. Bekend was al dat het inkopen in lagelonenlanden als Vietnam, India of Bangladesh hier rede tot zou kunnen zijn. Zo is dat dan ook het geval bij Primark, net als zijn concurrenten dat al deden. Opvallend is wel, dat voor de ramp in Bangladesh er relatief weinig onderzoek is gedaan naar de omstandigheden in de fabrieken waar Primark zijn inkopen doet. Alhoewel de levensstandaard lager ligt in Bangladesh in vergelijking tot de rest van de wereld, waardoor de kosten per arbeider het gunstigst is, is het niet onbegrijpelijk zich af te vragen of de werkomstandigheden in deze fabrieken wel aan de internationale standaarden voldoen wat betreft de veiligheid. Naar aanleiding van de ramp op het Rana Plaza fabriekscomplex in Bangladesh in april, waardoor 1100 mensen om het leven kwamen, heeft Primark hierop gereageerd door een website te maken die volledig in het belang staat voor de verdere ontwikkelingen van het bedrijf in Bangladesh na de ramp. Het eerste gepubliceerde persbericht dateert namelijk van 26 april 2013, waarin Primark zijn medeleven betuigt aan alle betrokkenen van de fabriekramp. In de persberichten die volgen geeft het bedrijf aan hulp te bieden doormiddel van ondersteuningspakketten voor arbeiders, schadevergoeding en financiële bijstand op korte termijn aan de slachtoffers. Daarnaast heeft het bedrijf beloofd inspecties te doen van de fabrieksgebouwen als gevolg van de ondertekening van het akkoord, een initiatief van IndustriALL en UNI Global. De website is nog steeds actief en het laatste persbericht dateert van 19 september 2013, waarin staat dat er nog steeds hulp wordt geboden aan de slachtoffers en er nog steeds gesprekken worden gevoerd over verdere ontwikkelingen in Bangladesh met andere bedrijven en organisaties die hier belang bij hebben. Ondanks veel kritiek op de omstandigheden in de fabrieken in Bangladesh, geeft Primark op zijn website aan niet te gaan stoppen met het inkopen uit deze fabrieken. De vraag is of dit, na zo’n tragische gebeurtenis, nog wel ethisch verantwoord is om hier mee door te gaan. Ook al werkt Primark aan imago herstel met behulp van de persberichten op hun website, waarin beloftes worden gemaakt voor verbetering van de fabrieksomstandigheden, zal dat niet een zekerheid hoeven zijn dat dit in positieve zin de situatie kan doen gaan veranderen voor de arbeiders. De vraag is ook of het publiceren van deze website, als plan van aanpak voor imago herstel, gerechtvaardigd is. Het is nota bene achteraf handelen, het leed is al geschied. Zolang de landen waarin deze fabrieken zich bevinden geen sancties leggen op overtredingen van legitieme arbeidsomstigheden voor de werknemers, zullen bedrijven zoals Primark niet zo gauw het schip verlaten, en zich kunnen blijven rechtvaardigen met PR activiteiten zoals genoemd in dit verslag. Mits concurrenten uit ethische overwegingen wel vertrekken naar andere landen. De beslissing om hier verandering te brengen kunnen we niet gaan verwachten van de bedrijven zelf, aangezien het noodzakelijk is in positief daglicht te blijven om het bestaan van het bedrijf te kunnen waarborgen. De consument kan hier enigszins invloed op uitoefenen. Met de kwestie van Primark in Bangladesh als voorbeeld, zouden consumenten geen gehoor kunnen geven aan de persberichten van Primark en uit respect voor de slachtoffers en ethische overwegingen geen kleding meer hoeven kopen bij de kledingketen. Het is wellicht dan ook de plicht, ervan uitgaand de mens goed van aard is, van de consument, om druk te leggen op bedrijven die niet ethisch verantwoord te werk gaan. Met behulp van PR activiteiten en spindoctors probeert een bedrijf overeind te blijven wanneer, door berichten in de media, het bedrijf in een kwaad daglicht gezet wordt. Een bedrijf is nou eenmaal afhankelijk van haar consumenten, die deze berichten via allerlei soort media binnen krijgen, om te kunnen blijven bestaan. De vraag is of deze manier van communicatie wel gerechtvaardigd is naar de ontvanger toe. Een persbericht heeft vaak als doel om derden te doen blijven overtuigen dat het goed gaat met het bedrijf. De objectiviteit van een persbericht wordt hier eigenlijk aan de tand gevoeld. In het geval van Primark lijkt het erop dat zij er alles aan doen om de omstandigheden in Bangladesh te verbeteren en dat hun hoogste prioriteit is, terwijl hun belang altijd zal zitten om zoveel mogelijk inkomsten te kunnen genereren. Doormiddel van hun website probeert het bedrijf het eerste te doen laten denken, wat voor de consument als doelgroep misleidend kan zijn. Het is belangrijk dat er realisatie is dat er is sprake is van zogenaamde rechtvaardiging bij bedrijven door gebruik van van persberichten en andere middelen naar de media toe. Vervolgens moet er belang zijn bij o.a. overheidsinstanties om hierover bewustzijn te creëren onder de mensen met behulp van campagnes. Het moge duidelijk zijn dat verandering in situaties zoals Primark staat bekend als een kledingketen die, vergeleken hun concurrenten, goedkoop hun producten kunnen aanbieden voor consumenten. Men gaat zich afvragen waarom een bedrijf met zulke lage prijzen voor hun producten toch winst kan maken. Bekend was al dat het inkopen in lagelonenlanden als Vietnam, India of Bangladesh hier rede tot zou kunnen zijn. Zo is dat dan ook het geval bij Primark, net als zijn concurrenten dat al deden. Opvallend is wel, dat voor de ramp in Bangladesh er relatief weinig onderzoek is gedaan naar de omstandigheden in de fabrieken waar Primark zijn inkopen doet. Alhoewel de levensstandaard lager ligt in Bangladesh in vergelijking tot de rest van de wereld, waardoor de kosten per arbeider het gunstigst is, is het niet onbegrijpelijk zich af te vragen of de werkomstandigheden in deze fabrieken wel aan de internationale standaarden voldoen wat betreft de veiligheid. Naar aanleiding van de ramp op het Rana Plaza fabriekscomplex in Bangladesh in april, waardoor 1100 mensen om het leven kwamen, heeft Primark hierop gereageerd door een website te maken die volledig in het belang staat voor de verdere ontwikkelingen van het bedrijf in Bangladesh na de ramp. Het eerste gepubliceerde persbericht dateert namelijk van 26 april 2013, waarin Primark zijn medeleven betuigt aan alle betrokkenen van de fabriekramp. In de persberichten die volgen geeft het bedrijf aan hulp te bieden doormiddel van ondersteuningspakketten voor arbeiders, schadevergoeding en financiële bijstand op korte termijn aan de slachtoffers. Daarnaast heeft het bedrijf beloofd inspecties te doen van de fabrieksgebouwen als gevolg van de ondertekening van het akkoord, een initiatief van IndustriALL en UNI Global. De website is nog steeds actief en het laatste persbericht dateert van 19 september 2013, waarin staat dat er nog steeds hulp wordt geboden aan de slachtoffers en er nog steeds gesprekken worden gevoerd over verdere ontwikkelingen in Bangladesh met andere bedrijven en organisaties die hier belang bij hebben. Ondanks veel kritiek op de omstandigheden in de fabrieken in Bangladesh, geeft Primark op zijn website aan niet te gaan stoppen met het inkopen uit deze fabrieken. De vraag is of dit, na zo’n tragische gebeurtenis, nog wel ethisch verantwoord is om hier mee door te gaan. Ook al werkt Primark aan imago herstel met behulp van de persberichten op hun website, waarin beloftes worden gemaakt voor verbetering van de fabrieksomstandigheden, zal dat niet een zekerheid hoeven zijn dat dit in positieve zin de situatie kan doen gaan veranderen voor de arbeiders. De vraag is ook of het publiceren van deze website, als plan van aanpak voor imago herstel, gerechtvaardigd is. Het is nota bene achteraf handelen, het leed is al geschied. Zolang de landen waarin deze fabrieken zich bevinden geen sancties leggen op overtredingen van legitieme arbeidsomstigheden voor de werknemers, zullen bedrijven zoals Primark niet zo gauw het schip verlaten, en zich kunnen blijven rechtvaardigen met PR activiteiten zoals genoemd in dit verslag. Mits concurrenten uit ethische overwegingen wel vertrekken naar andere landen. De beslissing om hier verandering te brengen kunnen we niet gaan verwachten van de bedrijven zelf, aangezien het noodzakelijk is in positief daglicht te blijven om het bestaan van het bedrijf te kunnen waarborgen. De consument kan hier enigszins invloed op uitoefenen. Met de kwestie van Primark in Bangladesh als voorbeeld, zouden consumenten geen gehoor kunnen geven aan de persberichten van Primark en uit respect voor de slachtoffers en ethische overwegingen geen kleding meer hoeven kopen bij de kledingketen. Het is wellicht dan ook de plicht, ervan uitgaand de mens goed van aard is, van de consument, om druk te leggen op bedrijven die niet ethisch verantwoord te werk gaan. Met behulp van PR activiteiten en spindoctors probeert een bedrijf overeind te blijven wanneer, door berichten in de media, het bedrijf in een kwaad daglicht gezet wordt. Een bedrijf is nou eenmaal afhankelijk van haar consumenten, die deze berichten via allerlei soort media binnen krijgen, om te kunnen blijven bestaan. De vraag is of deze manier van communicatie wel gerechtvaardigd is naar de ontvanger toe. Een persbericht heeft vaak als doel om derden te doen blijven overtuigen dat het goed gaat met het bedrijf. De objectiviteit van een persbericht wordt hier eigenlijk aan de tand gevoeld. In het geval van Primark lijkt het erop dat zij er alles aan doen om de omstandigheden in Bangladesh te verbeteren en dat hun hoogste prioriteit is, terwijl hun belang altijd zal zitten om zoveel mogelijk inkomsten te kunnen genereren. Doormiddel van hun website probeert het bedrijf het eerste te doen laten denken, wat voor de consument als doelgroep misleidend kan zijn. Het is belangrijk dat er realisatie is dat er is sprake is van zogenaamde rechtvaardiging bij bedrijven door gebruik van van persberichten en andere middelen naar de media toe. Vervolgens moet er belang zijn bij o.a. overheidsinstanties om hierover bewustzijn te creëren onder de mensen met behulp van campagnes. Het moge duidelijk zijn dat verandering in situaties zoals Primark in Bangladesh alleen kunnen veranderen om als consument uit ethische overwegingen niet winkelen bij dit soort bedrijven en zo druk te kunnen uitoefenen.

Help

Henny Koning 337187 Academie Mens en Maatschappij Saxion Enschede Goed of Fout? Ethisch dilemma Leerpakket 1.2 – 4.2 Ethische kaders Naam Henny Koning Studentnr.: 337187 Lesgroep: EMW2DA2 Docent: Nic ten Brinke Toetscode: 38798 Maatschappelijk werk en Dienstverlening Academie Mens en Maatschappij Saxion, Enschede Vriezenveen, 30 januari 2014 Inhoudsopgave Inleiding ............................................................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 1. Beschrijving casus en dilemma ....................................................................................... 5 1.2. De casus .................................................................................................................................................. 5 1.1. Dilemma en ethiek.............................................................................................................................. 5 1.2. Tegenstrijdige Belangen .................................................................................................................. 6 1.3. De ethische vraag ................................................................................................................................ 6 Hoofdstuk 2 Ethische zienswijzen ............................................................................................................ 6 2.1. Gevolgenethiek .................................................................................................................................... 6 2.2. Beginselethiek ...................................................................................................................................... 7 2.3. Deugdethiek .......................................................................................................................................... 7 2.4. Beroepsethiek ...................................................................................................................................... 8 2.5. Hermeneutische benadering .......................................................................................................... 8 Hoofdstuk 3 Moreel beraad ......................................................................................................................... 9 3.1. Stap 1: Wat is het dilemma en voor wie? .................................................................................. 9 3.2. Stap 2: Handelingsalternatieven................................................................................................. 10 3.3. Stap 3: Prioriteiten stellen ............................................................................................................ 10 3.4. Stap 4: Beslissing en toetsing ...................................................................................................... 11 3.5. Stap 5: Integratie en evaluatie ..................................................................................................... 12 Bibliografie ....................................................................................................................................................... 14 Bijlage I Beoordelingsformulier ........................................................................................................... 15 INLEIDING Dit verslag behandelt een voor de beroepspraktijk relevant ethisch dilemma en de daaraan gekoppelde ethische vraag. Aan de hand van de verschillende ethische zienswijzen zal antwoord gegeven worden op de ethische vraag, daarbij wordt gebruik gemaakt van de theorie. Hierna wordt het moreel beraad met collega’s beschreven waarin de verschillende handelingsmogelijkheden besproken en bediscussieerd zijn. Aan de hand van waarden en normen en de afwegingen die gemaakt zijn tijdens het moreel beraad, zal een antwoord gegeven worden op de ethische vraag en deze zal onderbouwd worden en aangegeven hoe dit in de praktijk uitgevoerd zal worden en wie daar verantwoordelijk voor zijn. Naar aanleiding van de ontvangen feedback ten aanzien van het moreel beraad en een eigen reflectie zullen sterke en verbeterpunten opgesteld worden voor een volgend moreel beraad. 4 HOOFDSTUK 1. BESCHRIJVING CASUS EN DILEMMA In dit hoofdstuk zal een casus besproken worden vanuit de beroepspraktijk. Deze casus betreft een cliënt die bij de JP van den Bent stichting woont en binnekort zal gaan verhuizen naar een andere locatie. 1.2. DE CASUS Client J. is een vrouw van 28 jaar die sinds enkele jaren in een woonvoorziening van de JP van den Bent stichting (JP) in Almelo woont. Omdat deze locatie gesloten wordt gaat J. per april dit jaar verhuizen naar een nieuwe woonlocatie in Vriezenveen. J. heeft een traumatische baby en kleutertijd gehad ze is slachtoffer van huiselijk geweld en waarschijnlijk slachtoffer van seksueel misbruik. Zij is op 4 jarige leeftijd uit huis geplaatst en in een pleeggezin opgenomen. Daar is zij blijven wonen tot ze in de woonvoorziening van de JP in Almelo ging wonen. Haar pleegmoeder behartigt nog steeds J’s belangen en is zeer nauw bij haar betrokken. Door personeel van de woonvoorziening wordt zij op verzoek ook als moeder van J. aangesproken. Er is daarom gekozen om ‘pleeg’moeder in de rest van het verslag te vervangen door ‘moeder’. J. heeft een ernstig verstandelijke beperking. Haar ontwikkelingsleeftijd is ongeveer anderhalf tot twee jaar. Daarnaast is J. erg gevoelig voor prikkels van buitenaf. Cliënt heeft in haar begeleiding en ondersteuning erg veel structuur, duidelijkheid en aanwezigheid van begeleiders nodig. Als zij onduidelijkheid ervaart wordt ze boos en agressief wat ze onder andere naar begeleiders uit door te knijpen. Moeder is van mening dat cliënt nog ernstiger stress ervaart en die ook uit als ze door een man begeleid wordt. Moeder heeft daarom in het belang van haar dochter aangegeven dat ze, naast de essentie van een goede structuur, duidelijkheid en aanwezigheid ten aanzien van J., wil dat haar dochter uitsluitend begeleid wordt door vrouwelijk personeel. De reden hiervan is het vermoedelijk seksueel misbruik in het verleden van de cliënt. Het team voor de nieuwe woonlocatie waar cliënt J. gaat wonen, bestaat uit 6 teamleden, 5 vrouwen en één man. Een woonlocatie biedt 24 uurs-zorg wat inhoudt dat er 24 uur per dag iemand aanwezig is. 1.1. DILEMMA EN ETHIEK Een dilemma is een situatie met twee kanten die beide bezwaren opleveren of beide aannemelijk lijken maar met elkaar in strijd zijn. (Ebskamp, 2009). Ethiek is nadenken over handelen. De vraag naar wat goed is om te doen is daarbij essentieel. Ethiek heeft daarbij twee kenmerken; ten eerste wordt er gereflecteerd en gediscussieerd en ten tweede betreft het praktische zaken in het leven (Centrum voor Ethiek en Gezondheid, z.d.). Dat dit dilemma relevant is voor de beroepspraktijk wordt duidelijk doordat in de (gehandicapten)zorg de cliënt grotendeels afhankelijk is van de organisatie. De wens van de cliënt blijft afhankelijk van de regels en principes die gehanteerd worden binnen de instelling. De beroepscode voor de maatschappelijk werker speelt hierin een belangrijke rol omdat hierin beschreven staat dat de houding van de maatschappelijk 5 werker tegenover de cliënt is gebaseerd op respect voor diens persoon en erkenning van diens verantwoordelijkheid voor de eigen keuzes van handelen (Ebskamp, 2009). Een belangrijk dilemma voor de professional blijft om keuzes te maken in situaties die vallen buiten de gestelde regels en protocollen. Keuzes zijn afhankelijk van iemands waarden en normen en ethische visie. 1.2. TEGENSTRIJDIGE BELANGEN Als eerste wordt gekeken naar de verschillende partijen in deze situatie. Aan de ene kant de cliënt met haar moeder als haar vertegenwoordiger. Cliënt is, naar het schijnt, slachtoffer geweest van seksueel misbruik in haar vroege kindertijd . Zij reageert erg onrustig op mannen, wat volgens moeder een gevolg is van het seksueel misbruik. J. heeft daardoor een afkeer en angst ontwikkelt voor mannen. Dat is ook de reden dat moeder wil dat J. uitsluitend begeleid wordt door vrouwelijke begeleiders. De andere partij is de JP. Bij de JP zijn zowel mannen als vrouwen in dienst. Het aantal mannen dat werkt binnen de JP is schaars en mannen zijn een goede aanvulling voor een team. Zij hebben vaak een andere, nuchtere kijk op op zaken en een evenwicht tussen mannen en vrouwen in een team zou daarom goed zijn. Daarnaast fungeren mannen voor veel mannelijke cliënten mannen als rolmodel. Voor het nieuwe team waar J. zal gaan wonen is een mannelijke collega aangenomen. Om het team optimaal te laten functioneren is het belangrijk dat ieder teamlid de verantwoordelijkheid draagt voor cliënten. Door een man de taak van begeleiding van J. te ontzeggen vanwege zijn ‘man’ zijn, zal verschillende consequenties hebben. Voor de man omdat hij hierdoor een uitzonderingspositie zal krijgen daarnaast voor het team, het dienstrooster en de visiel van de JP: “wat we vandaag nog niet in huis hebben kan morgen heel gewoon zijn”, wat betekent dat we als JP denken in mogelijkheden en niet in problemen. 1.3. DE ETHISCHE VRAAG Als we de tegenstrijdige belangen willen verwoorden is de ethische vraag in deze situatie: Mag tegen de wil van de moeder, een ernstig verstandelijk gehandicapte vrouwelijke cliënt, die waarschijnlijk in haar vroege kindertijd slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, en daardoor ernstige stress ervaart in begeleiding door mannen, wel door een mannelijk teamlid begeleid worden? HOOFDSTUK 2 ETHISCHE ZIENSWIJZEN Voor ethische problemen zijn geen standaard antwoorden te bedenken. Elk probleem kan van verschillende kanten bekeken worden, waarbij elke kant een ander licht op de kwestie werpt (Ebskamp, 2009). In hoofdstuk twee zal op vijf verschillende wijzen naar het ethisch dilemma gekeken worden. Aan de hand daarvan wordt gekeken wat een mogelijk antwoord op de ethische vraag zou kunnen zijn. 2.1. GEVOLGENETHIEK Bij de gevolgenethische benadering wordt een afweging gemaakt welke optie voor de minste schade bij de betrokkenen zorgt. Of het meeste welzijn voor zoveel mogelijk mensen (Ebskamp, 2009). 6 Als we kijken naar de gevolgen in de situatie rond cliënt J. dan is het gevolg voor J. dat zij nog steeds ernstige stress ervaart als zij geconfronteerd wordt met een mannelijke begeleider. Zij kan zich niet verbaal uiten en heeft een laag verstandelijk niveau. Door haar verstandelijke vermogen is zij niet in staat om duidelijk aan te geven wat ze wel en niet wil. De moeder van het gezin waar J. vanaf haar vierde jaar woont, geeft aan dat de stress heel duidelijk merkbaar is als J. door een man begeleid is. Als de nieuwe locatie er voor kiest om J. toch door een man te laten begeleiden zou moeder haar keus voor deze woonvoorziening van de JP in twijfel kunnen trekken. De andere mogelijkheid heeft gevolgen voor de organisatie. Als een mannelijke collega wordt uitgesloten van de begeleiding van J. zal dat gevolgen hebben voor zijn dienstrooster omdat hij dan nooit alleen in dienst kan zijn. Hij zal bepaalde diensten niet kunnen draaien, bijvoorbeeld een slaapdienst. Het gevolg. is ook dat het takenpakket van de mannelijke collega aangepast wordt en dat het er aan het dienstrooster specifiek gekeken moet worden welke diensten hij heeft. Daarnaast zal er bij een eventuele vacature of bij stagiaires rekening gehouden moeten worden met het geslacht van de sollicitant. Dit zou wettelijke problemen kunnen opleveren. Ten slotte heeft de JP, zoals eerder genoemd de visie “wat we vandaag nog niet in huis hebben kan morgen heel gewoon zijn”, door een mannelijke collega te beperken in zijn taken en door eventuele volgende mannen uit te sluiten van sollicitatie gaat tegen deze visie van de JP in. Als we beide gevolgen tegen elkaar afwegen dan is zijn de gevolgen het grootst voor de organisatie en daarbij bij voor toekomstige vacatures, stagiaires, vervanging bij ziekte en dergelijke. Het gaat hierbij vooral om de visie van de JP die in het geding komt. De visie is een belangrijke basis v oor een organisatie. Een visie geeft een ambitieus beeld van wat een organisatie wil zijn. Bij een van de visie wordt gekeken naar de wereld van nu en de kansen in de toekomst en wordt de de gewenste situatie beschreven. (Visie en Strategie, 2011). De wens van moeder gaat tegen de visie van de JP in. Daarom zal het de beste keuze zijn om met moeder in gesprek te gaan dat een man aangenomen is als teamlid en dus ook zorg zal dragen voor de begeleiding van J. 2.2. BEGINSELETHIEK Volgens de beginselethiek moet volgens de algemeen geldende regels gehandeld worden. Niet volgens de regels van buitenaf maar vanuit eigen geweten. Vooral de principes en de uitgangspunten die mensen af hebben gesproken staan centraal (Ethische Dilemma's, z.d.). Als het dilemma vanuit deze benadering bekeken wordt dan houdt dat in dat collega R. niet afgewezen mag worden om J. te begeleiden alleen omdat hij een man is. Een algemeen geldend principe hier is gelijke behandeling. Daarnaast geldt die gelijke behandeling ook voor cliënten. Als een andere cliënt aan zou geven bijvoorbeeld alleen door een man geholpen te willen worden dan zou daar ook gehoor aan gegeven moeten worden. Vanuit deze benadering mag er geen onderscheid gemaakt worden tussen R. en zijn vrouwelijke collega’s. 2.3. DEUGDETHIEK De deugdenethiek gaat uit van de juiste intenties en motieven van degene die handelt. Het gaat bij de deugdenethiek dus niet om het bereiken van bepaalde doelen of strakke gedragsregels maar meer om de vraag: wat voor mens wil iemand zijn (Ebskamp, 2009). 7 Als we de casus benaderen volgens de deugdenethiek dan is mijn uitgangspunt: behandel de ander zoals je zelf behandeld wil worden. Daarom zou ik er voor kiezen om extra personeel in te zetten. Hierdoor kan er extra aandacht besteed worden door J. rustig kennis te laten maken met R. als mannelijk begeleider. De moeder zou ik hier ook nauw bij betrekken als vertegenwoordiger van haar dochter. Naar mijn mening mag het belang van de ene persoon niet of zo min mogelijk schadelijk zijn voor de andere persoon. Het belang van de cliënt weegt in deze net zo zwaar als het belang van een mannelijke collega. 2.4. BEROEPSETHIEK Beroepsethiek is de ethiek die betrekking heeft op het professioneel handelen. Er is een systematische reflectie op de vraag of in het beroep het goede wel gedaan wordt. Het gaat over de normen en waarden die richting geven aan het beroepsmatig handelen (Ethicas, z.d.).Bekeken vanuit de beroepsethiek biedt de beroepscode een duidelijke richtlijn voor de professioneel hulpverlener. Van de hulpverlener wordt verwacht dat hij zijn beroep uitoefent conform deze beroepscode. Hierin staat: “De maatschappelijk werker heeft respect voor de persoon van de cliënt. Dat wil zeggen erkennen en herkennen van het unieke van een persoon. De hulpverlener erkent de keuzevrijheid van de persoon, binnen de grenzen van de wet” (NVMW, 2014). In de casus geeft de moeder als woordvoerder voor haar dochter, aan dat het voor J. schadelijk is als zij begeleid wordt door een man. De stress die daardoor veroorzaakt wordt is volgens moeder duidelijk zichtbaar. Deze stress verergert naarmate de begeleiding door een man voortduurt aldus moeder. De moeder van de cliënt heeft duidelijk de reden aangegeven voor haar wens en dus zal deze wens gerespecteerd moeten worden en zal J. dus alleen door vrouwelijke teamleden begeleid mogen worden. 2.5. HERMENEUTISCHE BENADERING Deze benadering zoekt naar de betekenis achter de casus. Er wordt gekeken naar de omstandigheden en cultuur waarin de situatie zich afspeelt, naar verborgen en zichtbare overtuigingen en die worden vergeleken met andere interpretaties (Ebskamp, 2009). Er wordt gezocht naar een mogelijke tussenoplossing. Als we kijken naar de achtergronden in deze casus dan betreft het een cliënt die slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en waarschijnlijk ook van seksueel misbruik. Daarbij heeft J. niet de mogelijkheid zich te uiten door haar verstandelijke handicap. Het is voor de omgeving moeilijk in te schatten is in hoeverre een en ander nog invloed heeft op de huidige gemoedstoestand en functioneren van J. Voor de moeder speelt het huiselijk geweld en vermeende misbruik ook nog wel duidelijk een rol in haar visie op de begeleiding naar J. Zij geeft ook regelmatig aan dat J. zeer traumatische zaken heeft meegemaakt. Daarbij vindt moeder dat J. al zoveel heeft meegemaakt en dat zij nu de enige is die haar dochter kan en wil beschermen. Sinds de komst van J. in hun gezin, 24 jaar geleden, is J. niet begeleid door een man, de enkele keren dat dat wel gebeurde zorgden dan voor veel stress bij J. en bij moeder. Toen J. in de woonvoorziening van de JP in Almelo gaan wonen is de wil van moeder zonder problemen ingewilligd en dus is J. daar de afgelopen 7 jaar alleen door vrouwen begeleid. 8 Ook betreft het dilemma niet alleen de mannelijke collega maar de hele organisatie. De JP staat voor zoeken naar mogelijkheden en oplossingen. Als organisatie willen we het best mogelijke voor de cliënt en kijken naar manieren om dat te bereiken. Het past niet binnen de cultuur van de JP om alleen naar het probleem te kijken; in dit geval de cliënt die getraumatiseerd is door mannen, maar naar de mogelijkheden; hoe kunnen we de cliënt leren om hiermee om te gaan? Door de wil van moeder zonder meer op te volgen zou de cultuur en visie van de JP geweld aan gedaan worden. Daarnaast zijn bij de JP mannelijke collega’s schaars. Een man heeft vaak een meer nuchtere, andere kijk op zaken en is een welkome aanvulling in een team. Veel mannelijke cliënten geven ook aan het prettig te vinden als er een mannelijke begeleider in is. Als man hebben ze met een mannelijke begeleider meer raakvlakken. Als mannelijke collega R. uitgesloten wordt van de begeleiding van J. dan zou hij geen verantwoordelijke diensten zou kunnen draaien en niet alleen kunnen werken. En dus geen slaapdiensten zou kunnen draaien of andere verantwoordelijke diensten. De verschillende achtergronden in beschouwing genomen zou ik voor de volgende tussenoplossing kiezen. J. zou de tijd moeten krijgen om te wennen aan R. als mannelijke begeleider. Dit moet vanaf het begin goed begeleid moeten worden in samenspraak met de gedragskundige. Daarnaast wordt J. goed geobserveerd, hoe reageert zij op R. en treed daar verandering in op na verloop van tijd? Er zal geïnvesteerd moeten worden om de relatie tussen collega R. en wat er in het verleden gebeurd is met cliënt J. los te koppelen. Hierdoor zal voor J. ook in de toekomst de mogelijkheid bestaan om te leren gaan met het feit dat ook mannen haar begeleider kunnen zijn. HOOFDSTUK 3 MOREEL BERAAD Als deeltijd MWD groep is een moreel beraad gehouden met de mensen uit de subgroep. Als methode heb ik de dilemmamethode gekozen omdat ik dat een helder omschreven methode vond en ik dat in een ethisch dilemma een belangrijke factor vind. De methode bestaat uit vijf stappen die hieronder beschreven zullen worden aan de hand van de theorie van Ebskamp (2009) en praktijk. 3.1. STAP 1: WAT IS HET DILEMMA EN VOOR WIE? In deze fase gaat het alleen om het beschrijven van de situatie. Er wordt zoveel mogelijke objectieve informatie gegeven. De gegevens moeten duidelijk, volledig en relevant zijn. En er wordt beschreven welke personen bij de situatie betrokken zijn. Aan het eind van deze fase wordt de ethische vraag gesteld (Ebskamp, 2009). De casus handelt om de 28 jarige, ernstig verstandelijk gehandicapte cliënte. Zij gaat in april verhuizen van een woonlocatie van de JP in Almelo naar een woonlocatie van de JP in Vriezenveen. J. is slachtoffer van huiselijk geweld in haar vroege kinderjaren en vermoedelijk van seksueel misbruik. Moeder heeft op basis van voorgeschiedenis besloten dat alleen vrouwelijke teamleden J. mogen begeleiden. Hieraan is bij de vorige woonlocatie gehoor gegeven. Nu J. gaat verhuizen naar Vriezenveen ligt dit besluit of wil van moeder ter discussie bij het nieuwe team dat bestaat uit 5 vrouwen en een man. De vraag is: Mag tegen de wil van de moeder een vrouwelijke, ernstig verstandelijk gehandicapte cliënt, die waarschijnlijk in haar vroege kindertijd slachtoffer is geweest 9 van seksueel misbruik, en daardoor moeite heeft met mannen, wel door een mannelijk teamlid begeleid worden? 3.2. STAP 2: HANDELINGSALTERNATIEVEN In deze fase worden de verschillende handelingsalternatieven bekeken voor dit dilemma. Voor de betrokkenheid in deze fase is het zich verplaatsen in de standpunten van anderen zonder daarbij een oordeel te vellen (Ebskamp, 2009). Er zijn in deze situatie verschillende mogelijkheden: Er wordt naar moeder aangegeven dat een mannelijke collega deel uitmaakt van het team en dat het niet binnen de visie van de JP past dat hij, bij voorbaat uitgesloten wordt voor de begeleiding van haar dochter. Er zal extra begeleiding ingezet worden om een en ander goed te begeleiden. Dit alles gaat in nauw overleg met de gedragskundige. De begeleiding door een mannelijke begeleider zal vanaf het begin ingezet worden. De keus aan moeder is of zij hiermee in wil stemmen of een andere woonlocatie zoekt voor haar dochter, waar wel aan haar wens wordt voldaan. Een andere mogelijkheid is dat wordt besloten dat een mannelijke begeleider. uitgesloten wordt van de begeleiding van J. omdat zij sinds 7 jaar gewend is om niet begeleid te worden door een man. Door haar lage verstandelijke niveau is het moeilijk om haar weer te laten wennen aan het feit dat ze door een man begeleid wordt. Dit zal ook extra veel stress opleveren. De derde handelingsmogelijkheid is om een extra traject op te zetten voor J. om haar te laten wennen aan mannelijke begeleiding. Daarin zullen buiten J. ook haar moeder, de gedragskundige, de mannelijke collega en eventueel een mannelijke stagiaire een belangrijk aandeel hebben. Het traject is erop gericht om J. om te leren gaan met begeleiding door mannen om zo die stressfactor weg te nemen. 3.3. STAP 3: PRIORITEITEN STELLEN In deze fase moet ieder voor zichzelf een beslissing voorbereiden door prioriteiten te stellen. Kijken vanuit verschillende benaderingen zorgen zo voor verschillende uitkomsten. Het ligt eraan wat belangrijk is voor iemand. Welke waarden en normen hij heeft (Ebskamp, 2009). Vanuit de groep kwamen verschillende waarden naar voren. Ten eerste gelijkheid en gelijke behandeling. Het betrof hier zowel de gelijkheid tussen de mannelijke en vrouwelijke begeleiders, als de gelijkheid tussen cliënten. Als een man niet alleen een dienst kan draaien dan houdt dat in dat daardoor zelfs zijn onregelmatigheidstoeslag (ORT) minder zou kunnen zijn dan die van zijn vrouwelijke collega. Er is dan sprake van ongelijke behandeling omdat hij niet dezelfde mogelijkheden heeft alleen om het feit dat hij man is. Daarnaast betreft het de gelijkheid van cliënten. Als de moeder van cliënt J. wil dat haar dochter alleen vrouwelijke begeleiding krijgt, en die wens wordt ingewilligd, dan zou een andere cliënt dat recht ook moeten hebben. 10 Verantwoordelijkheid was ook een waarde die duidelijk naar voren kwam. Als begeleiders ben je verantwoordelijk voor het welzijn van cliënten. Wat daarin vooral als vraag naar voren kwam is de vraag waar de grens ligt van de verantwoordelijkheid die je hebt voor het welzijn van de cliënt. Aan de andere kant hebben vinden we het belangrijk om de visie van de JP uit te dragen, en hebben we dus verantwoordelijkheid als werknemer ten opzichte van de organisatie waar we voor werken. We zijn verantwoordelijk voor de uit te dragen visie. Een andere verantwoordelijkheid is die van een moeder ten opzichte van haar kind. We kunnen ons voorstellen dat de verantwoordelijkheid die de moeder van J. voor haar dochter voelt nog versterkt is door de traumatische gebeurtenissen uit J’s verleden. Hierdoor wordt het verantwoordelijkheidsgevoel van moeder vergroot omdat ze wil voorkomen dat haar kind nog iets nadeligs zou ervaren omdat er, voor J. al teveel nare dingen gebeurd zijn. 3.4. STAP 4: BESLISSING EN TOETSING Nadat het dilemma voor iedereen duidelijk was en van verschillende kanten benaderd is hebben we gekeken hebben naar onze eigen opvattingen en waarden en normen hebben we aan het eind van het moreel beraad verschillende mogelijkheden beschreven om de ethische vraag te kunnen beantwoorden. Op de ethische vraag is het volgende antwoord of oplossing gevonden. De verhuizing zal voor cliënt J. een behoorlijke impact hebben. Ze zal moet wennen aan een nieuwe omgeving, nieuwe medecliënten, een ander team en andere regels. Dit zal waarschijnlijk voor veel stress zorgen bij J. omdat, ook al wordt hieraan veel aandacht besteed om alles zo duidelijk mogelijk te maken voor J. een verhuizing ook onduidelijkheid met zich meebrengt. We zijn van mening dat J. zal moeten wennen aan de begeleiding door een man. En we hebben ons daarbij afgevraagd of daar vanaf het begin mee gestart zou moeten worden, of dat daarmee gewacht wordt tot J. gewend is op de nieuwe locatie. Daarop hebben we besloten dat het goed is om gelijk vanaf het begin te starten met de begeleiding van J. door zowel vrouwelijke als mannelijke begeleiders. De reden hiervoor is dat er in het begin veel onduidelijkheid zal zijn voor J. In deze periode zal de begeleiding door een man een onderdeel zijn van de verschillende factoren waar J. mee te maken krijgt als ze verhuist. Als de begeleiding door een man uitgesteld zou worden dan zou dat opnieuw voor stress zorgen als J. eenmaal gewend is. Daarbij zou de focus dan ook meer liggen op ‘begeleid worden door een man’, dan wanneer het een onderdeel is van de verhuizing. Gelet op het gelijkheidsbeginsel is het niet juist om J. in een uitzonderingspositie te plaatsen ten opzichte van andere cliënten. Wij zien ook geen reden om een mannelijke collega, alleen om het feit dat hij een man is, uit te sluiten van de begeleiding van J. We zijn van mening dat gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen erg belangrijk is en dat in deze situatie belangrijk is om een oplossing te zoeken en niet te focussen op het probleem. Dus kijken naar de manier waarop J. wél begeleid kan worden door een man in plaats van bij voorbaat uitgaan van de onmogelijkheid daarvan. Vanuit het wederkerigheidsbeginsel zijn we van mening dat we als moeders soms een blinde vlek hebben als het om het welzijn van onze kinderen gaat. Het is in deze situatie belangrijk dat moeder nauw betrokken wordt in het proces en haar het gevoel te geven 11 dat we haar serieus nemen ook al wordt de beslissing anders dan zij gehoopt had. En dat de JP deskundigheid bezit om dit dilemma op een juiste manier op te lossen. 3.5. STAP 5: INTEGRATIE EN EVALUATIE In de eerste instantie zal de beslissing gemaakt worden door de leidinggevende van de locatie. Zij heeft en neemt uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de beslissing. Zij zal deze beslissing kenbaar maken aan moeder. De uitvoering van de begeleiding van J. door alle begeleiders, inclusief mannelijke collega(s), zal gedaan worden door de verschillende begeleiders, in nauwe samenwerking met de gedragskundige. Er zal daarnaast zorg gedragen worden voor een goede communicatie naar moeder om haar op de hoogte te houden. Dit zal gedaan worden door eerst duidelijk af te spreken hoe vaak het contact zal plaatsvinden om haar vertrouwen te geven dat haar dochter goed geobserveerd en begeleidt wordt en dat we haar, als moeder ook serieus nemen. Na verloop van tijd, als J. is gewend aan het wonen in de nieuwe woonlocatie en ze is gewend aan de begeleiding door een man, dan zal in overleg met moeder de communicatie verder teruggebracht kunnen worden. Evaluerend op de oorspronkelijke ethische vraag en de uitkomst vind ik dat we deze beslissing kunnen verantwoorden naar anderen. Er is van verschillende invalshoeken gekeken naar de situatie en aan de hand daarvan is een weloverwogen beslissing gemaakt waar we volledig achter staan. 3.6. FEEDBACK EN REFLECTIE NAAR AANLEIDING VAN HET MOREEL BERAAD Feedback De feedback die ik kreeg naar aanleiding van het moreel beraad was dat het een interessant dilemma was wat, zij het in andere vormen, vaker voorkomt in ons de gehandicaptenzorg. Het gaat dan vooral om de vraag tot welke prijs er voldaan kan of moet worden aan de eis of wens van een cliënt. Ieder kende voorbeelden uit zijn eigen werkkring. De feedback die ik kreeg met betrekking tot het gesprek was dat de voorbereiding goed was, de casus duidelijk en dat de korte steekwoorden op papier verduidelijkend gewerkt hadden. Daarbij had ieder de mogelijkheid om dingen op te schrijven wat ook als prettig ervaren werd. Het gesprek is rustig verlopen en was volgens de subgroep voldoende gestructureerd. De grootte van de groep, die bestond uit 3 personen, speelde hierbij natuurlijk ook een rol. Reflectie Reflecterend op dit moreel beraad vond ik het prettig om volgens een vast schema te werk te gaan. Daarnaast boden de steekwoorden op papier en de pen voor beide groepsgenoten een goede houvast. Voor mij is het belangrijk dat er aandacht was omdat ik dat belangrijk vind als je iets wil bespreken. Ook al voel ik me op mijn gemak bij mijn subgroepleden, toch was ik wel nerveus. Dit wil ik een volgende keer proberen te verminderen door vooraf de juiste volgorde van het gesprek en de structuur nog beter door te nemen. 12 Ik vond het af en toe moeilijk om de rode draad vast te houden omdat het dilemma in andere vormen heel herkenbaar was voor de anderen. Daardoor ging het gesprek soms een andere kant op. Ik vind het dan moeilijk om dat af te kappen en bij het onderwerp, de casus van J. te blijven. Als laaste verbeterpunt zou ik de volgende keer kiezen voor een andere methode. Door mijn werk heb ik ervaring opgedaan tijdens intervisie met de incidentmethode. Deze methode spreekt mij meer aan en bied voor mij meer mogelijkheden om de structuur van het gesprek vast te houden. Ten slotte vonden we het in de eerste instantie allemaal moeilijk om een uitspraak te doen in dit dilemma. Wel is duidelijk geworden dat, door erover in gesprek te gaan, je de mening hoort van een collega en er ook ideeën naar voren komen waar jezelf misschien niet aan gedacht had. Hierdoor is het moreel beraad erg nuttig geweest en zijn we tevreden over de uitkomst. 13 BIBLIOGRAFIE Centrum voor Ethiek en Gezondheid. (z.d., z.d. z.d.). Wat is ethiek? Opgeroepen op januari 22, 2014, van CEG: http://www.ceg.nl/themas/wat-is-ethiek Ebskamp, J. (2009). Basisboek beroepsethiek voor Social Work. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff. Ethicas. (z.d., z.d. z.d.). Beroepsethiek in de zorg. Opgeroepen op januari 26, 2014, van Beroepshouding in de Zorg: http://www.beroepshoudingindezorg.nl/page1/beroepsethiek.html Ethische Dilemma's. (z.d., z.d. z.d.). Beginselethiek. Opgeroepen op januari 23, 2014, van Ethische Dilemma's : http://www.ethischedilemmas.nl/index.htm?algemeneinfoid=311 NVMW. (2014, z.d. z.d.). Beroepscode. Opgeroepen op januari 26, 2014, van Nederlande Vereniging van Maatschappelijk Werkers: http://www.nvmw.nl/professionals/beroepscode-mw-inzien.html 14 BIJLAGE I BEOORDELINGSFORMULIER Beoordelingsformulier Academie Mens en Maatschappij Lp 1.2-4.2: Ethisch dilemma (t.amm.38798) Naam student: Henny Koning Datum: 30-1-2014 Studentnummer 337187 Beoordelaar: Handtekening: Voorwaardelijke criteria Voldaan / niet Feedback voldaan Het verslag voldoet aan de onderstaande eisen van de Handleiding Professioneel Schrijven m.b.t:  taalgebruik, spelling en grammatica,  opbouw met titelpagina, voorblad, inleiding, inhoudsopgave, kern, afsluiting en literatuurlijst;  hoofdstuk- en paragraafindeling;  paginanummers;  bronvermelding volgens APA.  De omvang van het verslag is maximaal 12 A4. LET OP: Er dient aan de voorwaardelijke criteria voldaan te zijn. Indien dit niet het geval is wordt de toets in Bison beoordeeld met het cijfer 1. (Wel wordt de toets - voor zover mogelijk – ook op inhoudelijke criteria beoordeeld. Maar er wordt dus geen inhoudelijke eindbeoordeling gegeven, ook als de toets op basis van het behaalde aantal punten voldoende zou zijn). 15 Inhoudelijke 0 criteria 1. Beschrijving van een voor de beroepspraktijk relevant ethisch dilemma en Met gebruik van ethische zienswijzen geeft student antwoorden op de ethische vraag, waarbij gebruik wordt gemaakt van bronnen. 6 8 10 Er is geen Er is een Er is een Student weet op Student ethisch dilemma dilemma met goede wijze beschrijft het dilemma en beschreven duidelijk koppeling aan te dilemma en of ethische maar hierin tegenstrijdige brengen in het weet hieruit vraag komt belangen beschreven een voor de beschreven. onvoldoende beschreven. De dilemma en beroepsgroep naar voren dat ethische vraag is daaruit afgeleide relevante sprake is van hiervan een ethische vraag. De ethische vraag tegenstrijdige voldoende relevantie voor het af te leidden en belangen. afgeleide. beroep wordt beschrijft deze uitgelegd. vraag. ethische vraag. 2. 3 Student Student geeft Student Er zijn voldoende Er is sprake van bereidt zich een aantal beschrijft antwoorden een sterke niet voor op mogelijkheden antwoorden en beschreven. De onderbouwing het te voeren en of of gebruikte ethische van de gesprek. Er antwoorden op mogelijkheden zienswijzen en antwoorden. Er worden geen het dilemma en waarbij gebruik bronnen staan in wordt een (voorlopige) of de ethische wordt gemaakt duidelijke relatie relevante antwoorden vraag. Student van de in de les met het koppeling op de maakt geen gebruikte dilemma/de vraag. aangebracht ethische gebruik van ethische tussen vraag, vraag/ het begrippen uit invalshoeken zienswijzen en dilemma de les en/of beschreven en bronnen. geformuleer literatuur. de literatuur. Student Feedback en Feedback is Idem (6) en Idem (6) heeft geen reflectie zijn beschreven, het student weet student weet aanwezig maar dilemma is verkregen de naast geven geen gewogen door feedback op reflectie op de en reflecteert waardeoordeel de deelnemers. waarde te schatten feedback ook niet op de over het Er wordt naar en komt middels leerdoelen te rol in het dilemma. verschillende reflectie tot beschrijven en morele Student aspecten van de leerdoelen. geeft het beraad. benoemd niet eigen rol in het beoogde voldoende gesprek handelen weer. aspecten van gekeken en de eigen rol hierop wordt om van een gereflecteerd. d. 3. Student beschrijft feedback de feedback op beschreven het dilemma en zijn rol als gespreksleider. Student reflecteert op de eigen rol in het morele beraad. voldoende reflectie te spreken. 4. De student Geen De Er komt een Besluit/ beoogd Besluit/ komt op basis besluitvormi besluitvorming logisch handelen komt beoogd van het morele ng. en/ of / het beoogde besluit/beoogd voort uit het handelen volgt 16 beraad tot een beoogd handelen komt handelen uit het beraad en de logisch uit het afgewogen handelen. niet logisch beraad maar de afweging is beraad en er is besluit en /of voort uit het beschrijving van beargumenteerd. sprake van beoogd handelen morele beraad. de afweging is onderbouwde onvolledig. argumentatie. met betrekking tot het dilemma / de vraag. 5. Beschrijf de Waarden en Waarden en Waarden en Er worden Student weet waarden en verbanden gelegd samenhang aan normen normen normen worden normen die in het worden worden in het verslag uit tussen de waarden te brengen dilemma en het nergens in benoemd maar de situatie en/of en normen en het tussen de morele beraad het verslag staan in reacties in het beschreven spelende spelen. beschreven. onvoldoende beraad gefilterd dilemma en of de normen en relatie tot het en op voldoende ethische vraag. waarden, het onderwerp of wijze beschreven onvoldoende beschreven. dilemma en het beschreven. morele beraad. Beschreven waarden en normen hebben een toegevoegde waarde. Totaal aantal behaalde punten (max. 5 x 10 = 50) Cijfer Feedback op totaalproduc t Cesuur bepalen eindcijfer:  Er dient aan de voorwaardelijke vormcriteria voldaan te zijn. Indien dit niet het geval is wordt de toets in Bison beoordeeld met het cijfer 1 .  Om een voldoende (= 6) te krijgen, moeten minimaal 28 punten worden behaald.  Het eindcijfer wordt bepaald door de afzonderlijke punten die op elk criterium zijn gescoord op te tellen, het totaal te delen door 5 en af te ronden naar een rond getal (geen decimalen). 17

Help